98198 Ergebnisse zur aktuellen Sucheinstellung map
TrackRank mind. 3
 

Tour #157959: Fietsronde Peel en Maas en Venlo, Velden en Grubbenvorst

Kategorie: Fahrrad Touring
Niederlande » Limburg , Noord-Limburg » gemeentes Peel en Maas, Venlo » Panningen, Egchel, Baarlo en Venlo weerszijden van de Maas

één van de vele Tajiri-knopen in Baarlo

Mooie fietsronde door dorpen, (Heldense) bossen, stedelijk gebied en aan weerszijden van de Maas. Bij Baarlo - Steyl en bij Velden - Grubbenvorst steekt u de Maas over per veerpont. U kunt deze fietsronde op ieder gewenst punt van de ronde starten. Onderweg zijn er voldoende rustmogelijkheden, zoals banken of horecazaken.

Enkele plaatsen worden hieronder beschreven (Bron Wikipedia):

Panningen, in de volksmond Kepèl genoemd (naar de in 1643 gebouwde kapel), is met 7617 inwoners (per 1 januari 2007) het grootste dorp in de gemeente Peel en Maas. Het ligt centraal tussen de steden Roermond, Weert en Venlo in de Nederlandse provincie Limburg. Per 1 januari 2010 maakt Panningen, als kern uit de oud-gemeente Helden, deel uit van de gemeente Peel en Maas.
De oude kapel die het dorp z'n volksnaam gaf, bestaat inmiddels niet meer. Door het toenemende aantal pelgrims werd de kapel uitgebreid met zijbeuken. De zo ontstanekerk, O.L. Vrouwe van Zeven Smarten genaamd, is inmiddels afgebroken en werd in 1929 vervangen door de huidige kerk naar ontwerp van architect H.W. Valk. De kerktoren werd in 1944 opgeblazen maar na de oorlog door dezelfde architect hersteld. Op het Pastoor Huijbenplein staat tegenwoordig een monument dat de oude kapel symboliseert. Vlak bij de huidige kerk zijn tijdens opgravingen in de 90'er jaren nog resten van de oude kerk gevonden.
De winkels in dit dorp vervullen een grote regiofunctie omdat de omliggende steden elk op een afstand van zo'n 20 km liggen. Kenmerkend voor Panningen is het door deze regiofunctie relatief grote winkelcentrum dat tussen 2000 en 2007 vernieuwd is. Het Raadhuisplein bijvoorbeeld, dat in de jaren '60 werd aangelegd met het raadhuis en moderne woningen boven winkels, is opnieuw op de schop genomen. Het raadhuis werd gesloopt, op de bijbehorende kenmerkende toren na, en vervangen door De Pit, een winkelpassage met woningen erboven. Het gemeentehuis verhuisde naar de plek waar ooit de Mariaschool stond. Het gemeenschapshuis (of CC In Kepèl), zoals het cultureel centrum aan het plein in de volksmond heette, maakt plaats voor een multifunctioneel centrum, DOK6 genaamd, met theater- en bioscoopzalen en een trendy café. De programmering hiervoor zal mede waargenomen worden door de Heldense cultuurstichting C6. Naast DOK6 staat nog een winkelpassage met woningen erboven;De Parel. Bouw van zowel De Parel als DOK6 is afgerond in 2007.

Egchel is een (kerk)dorp in de gemeente Peel en Maas, in de provincie Limburg en ligt vlak tegen Panningen aan. In 2008 overschreed Egchel de grens van duizend inwoners.
In Egchel zijn diverse oudheidkundige voorwerpen gevonden uit de vijfde en de achtste eeuw. Het gebied zou in vroeger tijden een jachtgebied geweest zijn. De landweer (verdedigingswal) is een van de oudste nog zichtbare sporen uit vroegere tijden. Hiervan zijn nog restanten te zien op Keuperhei, Egchelheide en Heide. De naam Egchel heeft waarschijnlijk een ontwikkeling doorgemaakt van Achtel, Agell, Naichel, Achel, Aechell, Aggel en Eggel naar het huidige Egchel.
Vanaf de jaren twintig werd geprobeerd een eigen parochie op te zetten en sinds 1948 heeft Egchel een eigen kerk. Egchel staat bekend om zijn grote tuinbouwbedrijven, waaronder een komkommerbedrijf en een groot paprikabedrijf. In 2008 bestaat het dorp 60 jaar.
Per 1 januari 2010 maakt Egchel, als kern uit de oud-gemeente Helden, deel uit van de gemeente Peel en Maas.
Zoals hierboven staat vermeld werd de kerk van Egchel in 1948 gebouwd. De architect van deze kerk was Joseph Franssen. Het is een klein zaalkerkje zonder een toren, maar wel met dakruiter. Egchel kent sinds 2004 een eigen popfestival, EGOpop genaamd. Dit wordt georganiseerd door mensen uit alle leeftijdscategorieën, waarvan de meeste uit Egchel zelf komen. Dit is echt uniek voor zo'n klein dorpje. Maar niet alleen de stichting EGOpop bloeit, eigenlijk doet het hele dorp dat. Er zijn zo'n 18 verenigingen waarvan voetbalclub SV Egchel en Jongerenvereniging Jong Nederland Egchel beide zelfs meer dan 200 leden en/of vrijwilligers hebben. Jong Nederland heeft haar jaarlijkse hoogtepunt in de twee zomerkampen en de voetbalclub organiseert jaarlijks op Pinksterzondag een voetbaltoernooi waar 60 teams uit het hele land aan deelnemen, en soms zelfs uit het buitenland. In 2008 bestaat deze vereniging 50 jaar en ter gelegenheid hiervan heeft historicus Henk Thiesen het boek "Oranje zonder Franje" geschreven, wat is verschenen met een oplage van 800 stuks. Eerder is van de hand van Henk Thiesen ook al het boek "Van Achell tot Egchel" verschenen, dat de gehele geschiedenis van Egchel beschrijft.


Baarlo (Limburgs: Baolder) is een, op de linkeroever van de Maas, gelegen Nederlands dorp in de gemeente Peel en Maas. Acht kilometer ten zuiden van Blerick/Venlo en ten noorden van Kessel. Een veer verbindt Baarlo met Steyl.
Baarlo heeft een agrarische oorsprong maar dient ook als forensengemeente voor Venlo. Het dorp heeft een landelijk karakter en afficheert zich als kasteeldorp, vanwege zijn vier kastelen.
De oudste vermelding van de naam Baarlo is uit 1219. Baar betekent bloot of kaal, zoals nog in de uitdrukking baar geld. Hiermee wordt bedoeld dat het geld open en bloot op tafel ligt. De verkorte vorm bar is terug te vinden in barrevoets. Het woorddeel lo, loo of le betekent bos. In de dorpskern lag vroeger de zogenoemde Baerbergh (Borrebergh) en de Borreberghscamp. De zandverstuiving en de uitgestrekte akker lagen ten zuiden van de kerk en het huidige Marktplein. Het toponiem staat in een nauw verband met het oude toponiem Baarlo (Balre, Balder en Baolder). Ook hier is sprake van het woorddeel 'Baer' in de betekenis van 'niet begroeid'.
Wapen
De oudste akte van de schepenbank Baarlo dateert van 26 januari 1377. In 1629 zegelt ze voor het eerst met een eigen schepenbankzegel, dat de Heilige Petrus vertoont die in zijn linkerhand een sleutel en in zijn rechterhand via drie touwen of linten een wapenschild vasthoudt, waarop staat afgebeeld een naar links springend hert. Voor 1795 zegelde de schepenbank met het schepenzegel. Het hert kan niet in verband worden gebracht met één van de adellijke families van de oude heerlijkheid Baerlo. Het hert verwijst waarschijnlijk naar een christelijke symboliek. Hierin staat het hert als zinnebeeld voor Christus de verlosser. De relatie tussen Christus (hert) en Petrus is duidelijk want Christus wijst hem aan als zijn plaatsvervanger op aarde. Op 17 september 1853 kende de Hoge Raad van Adel aan de gemeente Maasbree, waarvan Baarlo tot 1 januari 2010 deel uitmaakte, een gemeentewapen toe. Het bestond uit een schild van lazuur met een naar rechts gaand gevleugeld hert met een kruis tussen het gewei, uitgevoerd in de kleur goud, aan de rechterzijde een springend hert van goud en aan de bovenzijde van het wapen een adelaar van sabel. Het element van het springend hert vertegenwoordigde daarin de deelgemeente Baarlo.
Geschiedenis
Vroegste geschiedenis
Uit archeologische vondsten is gebleken dat Baarlo al een lange geschiedenis kent. Zo is aangetoond dat er ten westen van het dorp een oude nederzetting heeft bestaan uit het stenen en ijzeren tijdperk. Een belangrijke Romeinse heerbaan lag aan de westzijde van het dorp. Deze kwam uit de richting van Cuyk en liep langs de Maasdorpen Blerick, Heel en Maaseik naar Maastricht. Ook in Baarlo hebben de Romeinen sporen achtergelaten. Zo werden in de nabijheid van de kerk en ten zuidwesten van het dorp Romeinse vondsten gedaan. Er werden onder meer twee Epona beeldjes en enkele urnen gevonden. Tijdens de sloop van de oude parochiekerk (1875) trof men ter hoogte van het koor fundamenten aan van kwarts-silicaten die met klei en leem waren samengevoegd waarop een stuk muur. Deze zouden van Romeinse oorsprong zijn. In 1955 werd een opmerkelijke vondst gedaan aan de noordzijde van de kerk. Het betrof de vondst van eikenhouten heipalen en dakpannen eveneens van Romeinse oorsprong.
Van nederzetting tot kerspel
Vanaf de 3e en 4e eeuw raakte het zuiden van Nederland grotendeels ontvolkt. Daarbij gingen ook de ontginningen uit de Romeinse tijd grotendeels verloren. De bewoning concentreerde zich vervolgens voornamelijk in het rivierdal van de Maas. Vanaf de 8ste eeuw raakte het Maasdal weer bevolkt waarbij sprake was van een verspreid vestigingsgebied. De nederzetting Baarlo, op de grens van het hoge dekzand en het lage Maasdal, kreeg definitief vorm en werd kerspel (gemeenschap rond een kerk). De kleinere nederzettingen Soeterbeek en Bong, gelegen ten westen van het dorp, werden Baarlose buurtschappen. Omdat niet vaststaat wanneer de bouw van Huys en de Borch (nu kasteel d'Erp) daadwerkelijk heeft plaatsgehad is het niet mogelijk om de relatie vast te stellen tussen de oude nederzetting en het kasteel. De nederzetting is slechts op een korte afstand gelegen van Huys en de Borch en vormt geen direct onderdeel van de versterking. Mogelijk heeft de bouw van de versterking wel bijgedragen aan de definitieve locatie van de nederzetting Baarlo. Nadat ook de bewoners van de nederzetting waren gekerstend kwam de bouw van een eenvoudig zaalkerkje tot stand die de basis vormde voor de latere middeleeuwse Sint-Petruskerk. De positionering van de toegangsdeur aan de noordzijde van de kerk bepaalde de positie van de kerktrap die ter hoogte van de Maasstraat (voorheen Waterstraet)behouden bleef. Aan de noordzijde vormde zich een ondermarkt (nu Maasstraat/Dorpstraat).

Kasteel De Berckt
De meest in het oog springende bouwwerken aan de oostzijde van de Markt zijn de Sprunk, de watermolen en kasteel d'Erp. Een groot brouwersgoed genaamd Ingen Fouckert, gelegen aan de zuidzijde van de Markt, is aan het eind van de 19e eeuw mede in verband met de bouw van een nieuwe school gesloopt. Het kasteel ten oosten van de Markt ontleent zijn naam aan de laatste adellijke bewoners, de familie d'Erp. In 1388 wordt reeds melding gemaakt van onse Huys ende Borch geheiten Baerlo gelegen in den lande van Kessel mit hoeren vesten ende graven, mit allen den heerlyckheyden, buschen, vischen, weyden, gueden ende toebehoren, als die selige Heer Willem van Baerlo, doe hij leefde, plach toe hebben. Het betreft een akte van verkoop waarbij Willem van Gulik, hertog van Gelre het leengoed verkoopt aan onse raedt, Jacob van Montfort. Uit 1219 dateert een oorkonde waarin we de naam Barlo aantreffen. Hendrik, graaf van Kessel geeft met zijn vrouw Othelende aan het klooster Mariënweerd eene curtis in Barlo en Hovesdonk, eene mansus in het bosch van Barlo, een boomgaard bij de kerk van Kessel en eene curtis in Oijen. Met deze curtis in Barlo en Hovesdonk is de Kiërhof, gelegen ten westen van het dorp, bedoeld. Bij de schenking trad een zekere Gerard de Barlo op als getuige. Een tweede vermelding van de naam Barlo is aangetroffen in een oorkonde uit 1236. In dat jaar stichtte Hendrik, graaf van Kessel in de kerk van Kessel een altaar ter ere van de Heilige Catharina en gaf daaraan een curtis te Kessel en andere goederen. Hierbij trad een dominus Bert miles in Barlo op als getuige.
Huys ende Borch was een Gelders leen en maakte deel uit van vier versterkingen in het land van Kessel. De bezitters van het kasteel hadden de meeste goederen en voorrechten (o.a. jacht-, vis- en molenrecht) van de heerlijkheid Baerlo. Na de familie van Montfort werd de Borcht eigendom van de familie die Klair en vervolgens beleend aan de families Van Eyll (1505) en Van Laer (1637). Onder de leenhof ressorteerden de hoeve Aen gen Eyndt (Aen Ing), de watermolen bij de Sprunk, 1/6 deel van de grote korentiend van Baarlo, de Kesseleiker grote korentiend en de Kesselse hof Aenghen Put. Tijdens de Gelderse oorlogen (begin 16e eeuw) werd de veste Baerlo ingenomen, geplunderd en plat gebrand. De heer van Eyll bouwde het kasteel daarna weer op. Nadat het kasteel overging in handen van de familie Van Laer tot Hoenlo werd het gebouw omstreeks 1640/1650 gerenoveerd. In 1648 gaf het Hof van Gelderland te Roermond aan Johan van Laer verlof tot de oprichting van een laatbank. Deze voerde een nauwkeurige administratie van de goederen die cijnsroerig (belastingplichtig) waren aan Huys en de Borch. De Heer Johan Baptist de Bierens verkreeg door koop in 1690 de halve heerlijkheid van Baarlo met burcht. De koop omvatte de heerlijke rechten. Deze bestonden onder andere uit de hoge, middele en lage justitie dat wil zeggen de criminele en civiele boeten, overdracht en levering van onroerend goed en de aanstelling van schout, schepenen en gerichtsbode. Verder omvatten de heerlijke rechten onder andere ook het planten langs grote wegen en op de 'gemeynte', de bijenstand, vis- en jachtrecht, het molenrecht, tiendrecht en patronaatsrecht. In 1762 vererfden de bezittingen aan de laatste telg uit de familie: Willem Raymond de Bierens, grootdeken te Aken. Willem vermaakte de goederen bij testament aan Hendrik d'Erp.
De eerder vermelde Gelderse oorlogen vormden een zijtoneel van een groter conflict tussen Frankrijk en Spanje. Toen de Habsburgse keizer Karel V de Gelderse stad Venlo in 1543 innam kwam het oude hertogdom Gelre en dus ook Baarlo in Spaanse handen. Belangrijke veranderingen vonden plaats op kerkelijk vlak met de opkomst en invloed van de reformatie. Hierdoor ontstonden politieke en religieuze spanningen. Nadat de protestanten in de Nederlanden in 1567 in opstand kwamen tegen de Spanjaarden stuurde Filips II de hertog van Alva en een leger om de revolte de kop in te drukken. Dit ontaarde in 1568 in een oorlog die later bekend werd als de Tachtigjarige oorlog. In 1632 volgde de grote veldtocht van Frederik Hendrik waarbij Venlo en Roermond in handen vielen van de Hollanders. Baarlo werd wisselend door Spaanse en staatse troepen bezocht. In 1635 hield een gevreesd keizerlijk regiment Kroaten huis in de omgeving. De Kroaten opereerden als bondgenoot van de Spanjaarden. Omdat Spanje haar betalingbeloften niet na kwam trokken de Kroatische huursoldaten al plunderend en brandschattend rond.
Wanneer in Baarlo de eerste kerk is gebouwd is niet bekend. Aangezien de heer van de Borch het recht had om de pastoor te benoemen moet ze zeker zo oud zijn als de Borch. In 1397 en 1466 wordt ze vermeld. De parochiekerk is toegewijd aan de heilige Petrus. Over het onderhoud van de kerk is meer bekend. De grote tiende had voor 1/3 deel de kasteelheer. De Kartuizers te Roermond hadden eveneens 1/3 deel waarvoor zij het dak van het schip met de zijbeuken onderhielden samen met de heer. De pastoor had het laatste derde deel en was verplicht tot onderhoud van het koor en de inventaris. In 1575 werd melding gemaakt van de grote tiende van Baarlo die aan de kerk behoorde. De houder van deze grote tiende hield een stier en een beer. Reparatie van de toren kwam ten laste van de gemeenschap. Uit de aan ons overgeleverde documenten m.b.t. de oude parochiekerk blijkt dat ze door de eeuwen heen diverse malen werd verbouwd. Er bestond een beneficie van St. Nicolaas in de zijbeuk aan de evangeliezijde. Dit beneficie werd later verenigd met de kapelanie. Een ander beneficie was het altaar van de HH. Urbanus en Antonius dat zich bevond aan de epistelzijde. De kerk kende drie beuken en aan de gevel was in 1575 nog een zonnewijzer aangebracht. Later werd de toren voorzien van een uurwerk. Op het oosten bevond zich een groot glasvenster en de klok had een zodanige grootte en gewicht, dat men haar kon horen tot aan de grenzen van het dorp. Het interieur van de kerk was rijkelijk voorzien van oude grafstenen en wapenborden van de adellijke families die in Baarlo woonachtig waren. Het kerkhof was afgesloten met een muur. Naast een kerktrap aan de noordzijde van de kerkberg bestond er ook aan de zuidzijde een toegang door de poort van het oude Raadhuis annex school die in de tweede helft van de 19e eeuw werden gesloopt. In de 17e eeuw werden in Baarlo de Annakapel, Dominicuskapel, Drie Koningenkapel en Sint Antoniuskapel gesticht.
De grootste kapel werd toegewijd aan de heilige Anna en staat aan de Hoogstraat. Ze is in 1674 in opdracht van pastoor Joannes á Coulen gesticht op de plaats waar voorheen een hagelkruis stond. Centraal in de kapel staat een beeld van de heilige Anna met aan haar zijde een staande Maria. De heilige heeft in het volksgeloof een belangrijke plaats en werd vroeger aangeroepen voor een goede korenoogst. Daarnaast was de heilige ook de patrones van zwangere vrouwen. Tijdens de jaarlijkse Sacramentsprocessie hield men bij deze kapel halt en werden de gelovigen gezegend met het allerheiligste. In 1978 is de kapel gerestaureerd door de Stichting Veldkruizen en Kapellen. Over het stichtingsjaar van de St. Antoniuskapel (Sint Tönniskepèlke) op de Molenberg is niet bekend. Aangenomen wordt dat ze eveneens aan het einde van de 17e eeuw moet zijn gebouwd. De St. Antoniuskapel wordt gekenmerkt door haar opmerkelijke en unieke vorm; een zeshoekig gebouwtje met tentdak. Het is vrijwel zeker dat de oude Baarlose broederschap St. Antonius en St. Urbanus in verband staat met de stichting van deze kapel. Geschiedschrijver L’Escaille vermeldt in zijn Seigneurie de Baerlo het jaar 1390 waarin de Broederschap reeds zou hebben bestaan. De broederschap was verbonden met het altaar in de parochiekerk van St. Antonius abt en St. Urbanus, twee heiligen die in Baarlo een bijzondere verering kenden. Tot in de 18e eeuw trok er op het feest van Sinterbaan (25 mei) een processie door het dorp waarbij mag worden verondersteld dat ook de Antoniuskapel in de route was opgenomen. Het officie bij het altaar vond plaats op alle vrijdaghen in quatuor temper weeck een singende misse met zijn vigilie te zingen tot laefenisse van verledene broeders. Uit het officie volgden inkomsten voor de kerk.

Baarlo staat bekend om zijn vier kastelen. De kastelen die Baarlo kenmerken zijn:
Kasteel d'Erp (oorspronkelijke bebouwing 13e eeuw)
Kasteel de Berckt (oorspronkelijke bebouwing 13e eeuw)
Riddergoed de Raay (oorspronkelijke bebouwing 13e eeuw)
Kasteel Scheres (oorspronkelijke bebouwing ca. 1860)
Kasteel d'Erp[bewerken]
Nuvola single chevron right.svg Zie Kasteel d'Erp voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Kasteel d'Erp, ook wel bekend onder de namen De Borcht, Van Erp-Holt, Holt te Erp, is een rond 1200 gebouwde burcht. Het huidige kasteel werd in de 17e eeuw gebouwd. De burcht (de Borcht) werd bewoond door Gerard van Baerle. Omstreeks 1400 werd het eerste kasteel op deze plek gebouwd. Een bewogen geschiedenis volgde met onder andere belegeringen door Willem van Oranje en zijn zoon Frederik Hendrik. Het kasteel dankt zijn naam (d'Erp) aan de familie van Erp, die het kasteel van 1787 tot 1962 bewoonde c.q. in bezit hadden. In 1974 werd het kasteel, dat toen eigendom was van de Gemeente Maasbree, volledig gerestaureerd. Momenteel is het privé-bezit en niet opengesteld voor bezoekers.
Tot het kasteel behoorde vroeger de Molen van Baarlo, een watermolen die in 1977 maalvaardig is gerestaureerd en regelmatig draaiend te zien is.
Kasteel de Berckt

Kasteel de Berckt (Berkt) is een in de 13e eeuw gebouwd kasteel. Het kasteel is gelegen aan de oude Romeinse heerweg tussen Kessel en Venlo. Godefridus van Eyll wordt in 1279 genoemd als eigenaar van het kasteel. De Berckt wordt al verheven in 1326 (door Tilman van Eyll). De familie van Eyll was tot aan het einde van de 16e eeuw de rijkste familie van Baarlo.
Agnes van Crieckenbeek schonk het goed in 1594 als bruidsschat aan Godfried van Hardenraet. Johanna Aleida van Hardenraet gaf in 1671 het huis aan haar man Lambert van Pollaert, heer van Aldeneyk. Na diens dood trad Aleida in het huwelijk met baron Hans Frederik de Rhoe d'Obsinnich (familie van de Rode van Opsinnichs, heren van Elen, op Kasteel Sipernau).
Hans Frederik baron de Rhoe d'Obsinnich, heer van Baarlo, was luitenant-generaal in dienst van de Republiek der Verenigde Provinciën en stierf in de oorlog in Portugal, in 1704. Zijn dochter, Eva Thérèse Florentine, barones de Rhoe d'Obsinnich, huwde in 1707 op het kasteel van Olne (Graafschap Dalhem, thans provincie Luik) met Rijksbaron Willem II (Guillaume-Philippe) d'Olne en overleed aldaar in 1754. Kasteel De Berckt draagt in de gevel van het poortgebouw nog het alliantiewapen van Eva Rhoe van Obsinnich en Guillaume-Philippe d'Olne.
Het oude kasteel werd in 1830 gesloopt en in Italiaanse stijl herbouwd. Van het vroegere voorhof is nog een bakstenen vleugel uit het eerste kwart van de 18e eeuw over. Aan het begin van de 20e eeuw werd het een klooster. Arcenaar Nagels kocht in 1994 het kasteel en vestigde er een groepsaccommodatie.
Riddergoed de Raay
Riddergoed de Raay, officiële naam thans Sandton Chateau de Raay, traditioneel ook wel bekend als Ingen Raaij, is een voormalig riddergoed dat werd gebouwd in het midden van de 13e eeuw. In latere jaren woonden diverse adellijke families. In 1850 werd het gebouw gerenoveerd, waarbij de toenmalige eigenaar een kapconstructie in chaletvorm liet aanbrengen. In 1937 was er een klooster gevestigd. Toen dat door de zusters verlaten werd, heeft het gebouw een tijd leeggestaan. In 1999 werd begonnen met een vier jaar durende ingrijpende renovatie. Thans is het een vier-sterren hotel, met een restaurant in een enorme glazen serre op de plaats waar vroeger de hoofdingang van het gebouw was. Het hotel behoort nu bij de keten Sandton Hotels.
Kasteel Scheres

Kasteel Scheres, ook wel bekend onder de naam d'Olne, is een in 1860 gebouwd kasteel. Het kasteel werd gebouwd voor baron d'Olne op de plaats waar voorheen een grote herenhoeve stond, genaamd Scheres. De hoeve bestond reeds in de 16e eeuw en werd bewoond door de familie Scheres. In 1678 was de familie Van der Keelen eigenaar. Het goed omvatte een woonhuis met vijf benedenkamers en een ruime kookkeuken, een schuur en vijftien morgen landbouwgrond. De herenhoeve onderging in in de 19e eeuw een algehele verbouwing. In 1766 werd het goed verkocht aan de adellijke familie d'Olne. Vanaf 1930 woonde bon vivant Baron Max de Weichs de Wenne op het kasteel en na de oorlog werd het huis gekocht door huisarts Scheijmans. Van 1962 tot 2009 werd het kasteel bewoond door de Japans-Amerikaanse kunstenaar Shinkichi Tajiri.
De veerpont
Baarlo kent een eeuwenoude oversteek over de Maas. Deze zou reeds in de 14e eeuw hebben bestaan. De heren van Kessel, de heren van de Holtmühle en daarna de heren van de Berckt waren de bezitters van het veerrecht. Het pontje werd verpacht aan particulieren. Zij waren verantwoordelijk voor het onderhoud van het veer, het veilig overzetten van personen, dieren en goederen, het schoonhouden van de veerstoepen na hoogwater en het veilig aanleggen van het vaartuig. Het pontje had een lokaal en regionaal belang als schakel in de handelsverbindingen tussen het land van Gelre en Gulick. Tijdens oorlogsvoeringen speelde het een belangrijke rol bij het overzetten van troepen en materieel. Ook de postdienst die een hoofdkantoor in Tegelen had was aangewezen op het veer. Van 1702 tot 1717 was er sprake van een postverbinding tussen Tegelen en Baarlo en werd in Baarlo de postiljon overgezet. De dienst was vrijgesteld van veergeld. Tijdens de Franse overheersing werd het veerrecht afgeschaft (wet 6 Frimaire VII in 1798). Het eigendom van het recht ging over naar het Rijk. Na de Franse overheersing probeerde de adellijke familie d’Olne het recht op pacht terug te krijgen doch zij kreeg het veerrecht niet terug. In 1984 werd het Gewest Noord-Limburg de nieuwe eigenaar van de veerpont.
Het Dubbroek [148 ha] ligt deels in een oude Maasbedding tussen Maasbree, Baarlo en Hout-Blerick. Het is voornamelijk bedekt met elzenbroekbos en plaatselijk nog aangeplant populierenbos in de laagste delen, en op de hogere delen eiken-berkenbos en naaldbos. Op de overgang van nat naar droog ligt essen-eikenbos. Verspreid liggen enkele graslandpercelen en open water. De Springbeek ontspringt in het Dubbroek.

Tegelen (Tegels: Tegele) is een stadsdeel van de gemeente Venlo in Noord-Limburg. Tot 2001 was het een zelfstandige gemeente. Sindsdien hoort het bij Venlo. Het kloosterdorp Steyl maakt deel uit van dit stadsdeel Tegelen.
Het stadsdeel Tegelen heeft dezelfde indeling behouden als de voormalige gemeente Tegelen.
Natuurlijke historie.
Tegelen ontleent zijn naam hoogstwaarschijnlijk aan het Latijnse 'Tegula' (vergelijk: tichel) dat dakpan betekent. Deze naam werd reeds door de Romeinse bewoners gebruikt en komt van de potten- en pannenbakkerijen in het dorp. Uit de klei van Tegelen wordt ten oosten van Tegelen al eeuwen klei gewonnen voor de keramische industrie.
Oude kleitram
Vanwege de vele fossiele vondsten die in de klei van Tegelen zijn gedaan is het geologisch tijdvak Tiglien (2,40 tot 1,80 miljoen jaar geleden, onderdeel van het Pleistoceen) naar Tegelen genoemd. De vaak metersdikke klei van Tegelen werd afgezet door de Rijn. Tijdens het Tiglien liep de Maas namelijk niet langs Tegelen, maar voegde deze zich boven Aken bij de Rijn die toen een heel stuk westelijker stroomde dan nu het geval is.
In de Tegelse klei werden de fossiele resten gevonden van onder andere de bever, watermol, hyena, panter, stekelvarken, tapir, grote Tegelse hert, kleine Tegelse hert, beer, neushoorn, nijlpaard, moerasschildpad, Zuidelijke olifant en makaak-aap. Deze Macaca florentina leek veel op de hedendaagse berberaap (Macaca sylvanus). Nooit eerder werden zo ver noordelijk fossielen van apen aangetroffen. Onlangs werd ontdekt dat in Tegelen ook de vliegende eekhoorn heeft geleefd, en verder een soort slaapmuis, die nu alleen nog in Japan voorkomt. Tussen de meer dan honderd in de klei gevonden plantensoorten zaten de rubberboom, Spaanse aak, vleugelnoot en cipres.
In de plaatselijke botanische tuin de Jochumhof is in de jaren zeventig een levende reconstructie gemaakt met planten die hier groeiden tijdens de Tiglien-periode. Helaas is dit 'tiglienpark' sindsdien verwaarloosd.
Geschiedenis
Al in de prehistorie werden er potten gebakken in Tegelen wat bevestigd is door verschillende vondsten van urnen. Sinds die tijd is er min of meer continu klei opgegraven om potten, pannen en stenen te bakken aanvankelijk voor regionale behoeften. Bij opgravingen in Tegelen zijn verschillende Romeinse pottenbakkers- en dakpanovens gevonden. De Sint-Martinuskerk van Tegelen wordt al rond het jaar 800 vermeld in bisschoppelijke en kloosterarchieven. Wegens de strategische ligging werden er al vroeg diverse kastelen en versterkte boerderijen gevestigd. Hiervan waren de belangrijkste het Kasteel Holtmühle en de Oude Munt. Gedurende de Middeleeuwen werd er dan ook geregeld strijd gevoerd in en om Tegelen en ook wegens de nabijheid van de vestingstad Venlo waardoor legers die de vestingstad wilden innemen vaak in Tegelen bivakeerden. In de loop der tijd werd in Venlo een kazerne gevestigd en in het nabije Blerick een fort waardoor er gedurende de 16e eeuw t/m 18e eeuw regelmatig plunderende legers door Tegelen trokken.
Het is weinig bekend dat Tegelen nog eeuwenlang tot het, op het Duitse achterland georiënteerde, hertogdom Gulik heeft behoord, terwijl Venlo bij het meer op de Republiek gerichte Hertogdom Gelre behoorde. Tegelen was voor Venlo dus heel letterlijk 'buitenland' en vice versa. Dat feit verklaart dat het dialect van Tegelen duidelijk verschilt van dat van Venlo, en het verklaart ten dele ook de rivaliteit tussen beide stadsdelen, zie hiervoor Land van Gulik. We vinden de zwarte, ongekroonde leeuw van Gulik op een geel veld ook gedeeltelijk terug in de vlag van Tegelen.
Na de Franse Tijd ging Tegelen definitief naar het koninkrijk der Nederlanden. Tegelen ontwikkelde zich al vroeg in de 19e eeuw tot een regionaal industriecentrum. De traditioneel aanwezige potten- en steen bakkerijen groeiden uit tot grotere fabrieken en later in de eeuw kwamen er staal- en tabaksfabrieken bij. Na 1900 kwam hier de tuinbouw bij. De pottenbakkerskunst nam in Tegelen een hoge vlucht vanaf ongeveer 1750 tot de Tweede Wereldoorlog.
Het economische en sociale leven voor deze oorlog werd beheerst door een klein aantal fabrikantenfamilies die elkaar de bal toespeelden. Een berucht voorbeeld van hoe dezen hun werknemers behandelden en in hun macht hielden is een affaire die speelde in de Eerste Wereldoorlog. De kleiwarenfabrikanten beweerden dat ze door de economische blokkade van Duitsland bijna failliet waren en dat ze alleen konden overleven door de (al magere) lonen drastisch te verlagen. De arbeiders gingen in staking maar op een gegeven moment was de stakingskas leeg. Door bemiddeling van de Tegelse geestelijkheid gingen de arbeiders weer aan het werk, maar wel tegen een zeer schamel hongerloon. Achteraf kwam naar buiten dat de fabrikanten nooit op het punt van faillissement hadden gestaan maar daarentegen exorbitante winsten hadden opgestreken door hun zeer lage loonkosten. Dat ze inderdaad flink verdienden is nog steeds te zien aan de enorme villa's die deze fabrikanten bewoonden en die her en der in Tegelen staan.
Na de oorlogstijd nam het aantal fabrieken in Tegelen gestaag af. Alle ijzergieterijen, waaronder de Globe, bekend van haar putdeksels, verdwenen; enkel aluminiumgieterij Giesen bestaat nog. Van de kleiwarenindustrie, inmiddels overgegaan in internationale handen, zijn nog drie fabrieken over. Van een steenfabriek, Canoy Herfkens, staat de schoorsteen er nog als aandenken aan een roemrucht verleden.
De rivaliteit tussen Tegelen en Venlo bleef bestaan, mede doordat Venlo sinds de jaren 50 doorlopend probeerde het kleinere Tegelen te annexeren. Einde 20e eeuw werd Tegelen door Venlonaren ook wel Venlo-Zuid genoemd, tot ergernis van de inwoners van Tegelen. In 2001 werd Tegelen gemeentelijk samengevoegd met Belfeld en Venlo tot de nieuwe gemeente Venlo. Sindsdien wordt in Tegelen opgemerkt dat Belfeld nu Venlo-Zuid is, Tegelen het centrum en Venlo Genooi (verwijzend naar het meest noordelijke deel van Venlo). Tegenwoordig is de rivaliteit tussen de inwoners van Tegelen en Venlo echter sterk afgenomen, zeker nadat de voormalige gemeente Arcen en Velden is gefuseerd met de gemeente Venlo.
De Geschiedenis van Passiespelen Tegelen
De Tegelse Passiespelen zijn al 83 jaar lang een begrip. Honderdduizenden mensen hebben minstens één keer in hun leven een bezoek aan Tegelen gebracht om deze unieke theatergebeurtenis bij te wonen. Aanvankelijk was het de bedoeling om het spel met een regelmaat van vijf jaar op te voeren. Maar in de beginperiode werd hier nauwelijks de hand aan gehouden. Vanaf 1975 is er een regelmaat gekomen van een vijfjarencyclus.

In 1955 werd een record van 160.000 bezoekers behaald. Door de ontwikkelingen in de kerk liep dat langzaam maar zeker terug tot in 1971 het dieptepunt met 15.000 bezoekers werd bereikt. Sindsdien is het weer gestaag bergop gegaan. Vanaf 1940 is de tekst van priester-dichter Jacques Schreurs gebruikt. De tekst werd regelmatig aangepast en gemoderniseerd. Voor de opvoeringen van zowel 2005 en 2010 is een tekst van Wiel Kusters gebruikt. Voor de Passiespelen 2015 werd door de Vlaamse dichter-schrijver Patrick Lateur een nieuwe tekst geschreven. Een veelheid aan regisseurs heeft de Passiespelen door de loop der jaren geloodst.
Het Verhaal van de Passiespelen
Het Passiespel verhaalt de emotionele gebeurtenissen uit de laatste dagen van het leven van Jezus: van de opwekking uit de dood van Lazarus, van de glorieuze intocht van Jezus in Jeruzalem, het laatste Avondmaal met de twaalf apostelen, het verraad van Judas, de door de hogepriesters geëiste veroordeling van Jezus, zijn pijnlijke kruisgang en uiteindelijk zijn dood aan het kruis op de Calvarieberg. Het zijn die gebeurtenissen, die de christenen gedenken tussen Palmzondag en Pasen.
Reeds vele eeuwen voordat Jezus in het jaar 30 A.D. ten tonele verscheen verwachtten de joden de verschijning van de verlosser, de Messias. In de Romeinse provincie Palestina begon Jezus op zijn dertigste publiekelijk zijn leer te verkondigen. Hij werd omgeven door twaalf leerlingen. Een van hen was Judas Iskariot, met wiens hulp het Sanhedrin erin slaagde om Jezus te arresteren en ter berechting over te dragen aan de Romeinse autoriteit. Jezus werd beschuldigd van verraad tegen Rome. Uiteindelijk beval Pontius Pilatus de kruisiging van Jezus.
Patrick Lateur (auteur 2015) over zijn tekst voor de Passiespelen in 2015:
"Al wie Passiespelen Tegelen mee gestalte helpt geven, plaatst zich in een eeuwenlange traditie waarin mensen zich spiegelen aan het gebeuren op Golgota en in Jeruzalem, maar ook aan alles wat daaraan voorafging in Galilea en Judea. En wie de tekst schrijft voor zo'n passiespel doet eigenlijk niet anders dan wat de Emmaüsgangers deden: het verhaal van lijden, dood en leven blijven doorvertellen: "Toen vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en hoe ze Hem hadden herkend bij het breken van het brood." (Lucas 24,35)"
Steilrand Tegelen
Het prioritaire gebied Holtmühle bestaat uit een drietal deelgebieden:
■ Maalbeekhöhe, 15,5 ha, beheerd door SBB.
■ Holtmühle, 14,1 ha, beheerd door SBB;
■ Jammerdaalsche Heide, ter grootte van 23,4 ha en beheerd door SLL.
Bodem
Ten oosten van Tegelen (en Venlo) ligt het Hoogterras: midden-pleistoceen grind en grof zand afgezet door de Rijn. Aan de westzijde wordt het Hoogterras begrensd door een steilrand van enkele tientallen meters hoog, veroorzaakt door de aansnijding van het Hoogterras door de pleistocene Maas. Deze steilrand vormt voor een groot deel de grens met Duitsland, maar ter hoogte van de Holtmühle ligt de Duitse grens meer naar het oosten, zodat het natuurgebied voor een belangrijk deel op het Hoogterras ligt. De zandgronden aan de voet van het Hoogterras bestaan uit rooibrikgronden en lemige holtpodzolgronden en in de lagere delen
komen lemige beekeerdgronden of gooreerdgronden voor.
Grondwater
Het meest kenmerkende voor deze gebieden is de kwel, afkomstig van het Hoogterras. Op de voet van de steilrand is lokaal sprake van bronnen en kwelzones die worden gevoed vanuit twee verschillende watervoerende pakketten:
■ Op de steilrand liggen bronnen die worden gevoed vanuit een freatisch pakket (o.a. de bronnen van de Maalbeek). Het bronwater stroomt toe over een in de ondergrond aanwezige kleilaag, de Tegelenklei.
■ Aan de voet van de steilrand ligt een tweede bronzone die wordt gevoed vanuit het 1e watervoerende pakket.
Op het plateau en langs de randen ervan zijn diverse groeven aanwezig waar zand en vooral de Tegelenklei werd en nog steeds wordt gewonnen. Deze groeven hebben de grondwaterstanden en –stroming ingrijpend beïnvloed.
Bij Heide-Tegelen is een drinkwaterwinning aanwezig (1,8 mln m3/jr), die grondwater onttrekt uit het tweede watervoerende pakket.

Het gebied zit hydrologisch gezien veel complexer in elkaar dan men op het eerste gezicht zou verwachten. De Tegelenklei is het dikst nabij de steilrand en ligt bovendien ter hoogte van het
Vossendal het hoogst in het profiel. De lagen worden oostwaarts dunner en
lopen bovendien in noordoostelijke richting geleidelijk af. Langs de Duitse grens is deze kleilaag niet alleen dunner maar vaak ook zandig ontwikkeld.


Venlo is een stad in het noordelijke deel van de Nederlandse provincie Limburg en de stedelijke kern van de gelijknamige gemeente. De stad telt 39.115 inwoners (per 2012, bron: CBS). Samen met het stadsdeel Blerick vormt Venlo het stedelijke gebied in de gemeente. Dit gebied heeft 66.735 inwoners (per 2012, bron: CBS). Blerick is echter vanouds een afzonderlijk dorp, dat pas tijdens de Tweede Wereldoorlog opgenomen is in de gemeente Venlo. De stad Venlo omvat alleen het gedeelte van de gemeente tussen de A73, de Duitse grens, de A67 en de Maas. Het enige stuk op de westelijke Maasoever dat van oudsher tot de stad Venlo behoort is het voormalige Kazerneterrein, dat ten noorden van de kern Blerick ligt. Andere kerkdorpen binnen de gemeente Venlo zijn: Hout-Blerick, Boekend, Tegelen, Steyl, Belfeld, Arcen, Velden en Lomm.
Venlo is een handels-, transport- en industriestad. De stad is het centrum voor de wijde omgeving alsmede koopcentrum voor het naburige Duitse Ruhrgebied. De gemeente Venlo grenst direct aan de Duitse districten Kleef en Viersen. Venlo is gelegen aan een bocht in de Maas en heeft een historisch centrum, al heeft de Tweede Wereldoorlog erg veel schade aangericht.
Venlo kent een karakteristiek stadsdialect, dat in grondslag nog wel Limburgs is, maar ook al enkele kenmerken heeft van de Brabants-Limburgse overgangsdialecten. Daarmee vormt het een overgangsdialect. Taalkundig wordt dit overgangsgebied aangeduid als het Noord-Limburgse mich-kwartier. De bewoners koesteren dit Venloos, dat algemeen wordt gebruikt. Mede de rijke carnavalstraditie, die liedjes in het Venloos zeer geliefd heeft gemaakt, houdt het Venloos levend.
Het Tegels onderscheidt zich duidelijk van het Venloos. Ik stond onder een boom bij de school klinkt in het Tegels als ich sjting ónger einen boum beej de sjoeël en in Venloos als ik stónd ónder einen boum beej de schoeël. Het Venloos heeft in Blerick het Blericks verdrongen, dat nu enkel nog te horen is in Hout-Blerick en Boekend. Het Veldense dialect heeft zich in de richting van het Venloos ontwikkeld en staat nu relatief dichtbij het Venloos. Het oude Blericks en Veldens bevonden zich in verschillende opzichten tussen het Tegels en het Venloos: ik stóng ónger einen boum beej de schoeël. Arcen is de noordelijkste plaats waar het Limburgs gesproken wordt; boven Arcen gaan de betoningslijn en de du (dich) / gij -grens Duitsland in. Het Arcens valt nog wel net binnen het mich-gebied, maar het heeft ook al wat meer de klankkleur van het Horster dialect; Arcens: ik stónd ónder ieënen boeëm beej de schoeël.
Venlo ligt op een strategische positie, op een belangrijke kruising van wegen bij een oversteekplaats over de Maas. De nederzetting werd al in de Vroeg-Romeinse tijd ((50 v. Chr.-70 na Chr.) bewoond. Er zijn diverse vondsten van aardewerk, munten en sieraden aangetroffen die wijzen op bewoning door Romeinse militairen en geromaniseerde handelaren. Archeologisch onderzoek in en langs de Maas laat de mogelijkheid open dat hier zelfs een brug heeft gelegen. Na de derde eeuw blijft de nederzetting bij de huidige binnenstad van Venlo een aantal eeuwen onbewoond. Er zijn geen sporen uit de Laat-Romeinse tijd bekend. Wel zijn er sporen van bewoning tot in de zevende eeuw gevonden aan de westzijde van de Maas, in Blerick, langs de noord-zuid verbinding Nijmegen-Maastricht-Tongeren.
Lange tijd werd ervan uitgegaan, dat het Duitse plaatsje Kaldenkirchen, net over de grens, de Romeinse legerplaats Sablones zou zijn geweest. In november 2010 liet de stadsarcheoloog van Venlo, Maarten Dolmans, zich tegenover Duitse media ontvallen dat het veel aannemelijker is dat Venlo zelf de Romeinse legerplaats is geweest.
In de middeleeuwen was de stad Venlo een belangrijke handelsplaats aan de Maas, zelfs te vergelijken met Duitse plaatsen als Keulen, Spiers en Worms. Venlo behoorde tot het Gelderse Overkwartier en die lid was van de Hanze. In 1481 trad Venlo tot het Hanzeverbond toe. Hoewel het Hanzeverbond toen al over zijn hoogtepunt heen was betekende Venlo's lidmaatschap toch een erkenning als tamelijk belangrijke handelsstad.
Het hertogdom Gelre kwam als laatste gewest bij de val van Venlo in 1543 de facto, en bij het Tractaat van Venlo de jure in handen van keizer Karel V, die het met de rest van zijn Nederlandse bezittingen verenigde. Vanaf 1590 was Gelre gesplitst in een noordelijk en een zuidelijk deel en behoorde het zuidelijke, het Overkwartier, tot de Zuidelijke Nederlanden. In de 17e eeuw was Venlo afwisselend Spaans en Staats bezit. De Spaanse Successieoorlog leidde vervolgens tot het Barrièretractaat, waarbij het Overkwartier tijdens de Vrede van Utrecht in 1713 werd opgedeeld tussen Pruisen, Oostenrijk en de Nederlandse Republiek. De stad werd onderdeel van de Republiek en kwam te liggen in het Generaliteitsland Staats-Opper-Gelre.
Heel Staats-Oppergelre werd in 1795 door de Fransen veroverd. Na hun vertrek ging Venlo tot de nieuwgevormde provincie Limburg behoren, binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Anders dan de rest van Limburg werd Venlo (evenals het gebied van de stad Maastricht) geen lid van de Duitse Bond. Bij de Belgische Opstand koos bijna geheel Limburg, en ook Venlo, de kant van de Belgen maar bij de vredesregeling werd Limburg gesplitst en kwam Venlo bij Nederland. Halverwege de 19de eeuw werden de stadsmuren gesloopt en breidde de stad zich flink uit over de buitengebieden en langs de toegangswegen. Op 9 november 1939 vond in Venlo het Venlo-incident plaats, waarbij twee Britse agenten door de Duitse Gestapo werden gevangengenomen. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog leed Venlo veel schade, mede doordat de frontlinie drie maanden lang door het centrum liep. Tot oktober 1944 was Venlo nauwelijks getroffen door de oorlog maar dat veranderde toen de gevechtsfronten Limburg naderden. Bij hevige geallieerde bombardementen op de strategische Maasbrug en het nabije Duitse vliegveld, werd ook het stadscentrum deels verwoest en kwamen veel burgers om. De stad werd op 1 maart 1945 bevrijd door de Amerikanen van de US 9th Army tijdens de operatie Grenade.
Theater de Maaspoort tot 2011
De nieuwe voorgevel
Een verwaarloosd stuk Venlo was tot voor kort de rechter Maasoever bij de binnenstad. Hier is in 2010 een nieuw stuk centrum geopend, de Maasboulevard. Het masterplan voor de Maasboulevard is ontworpen door Arno Meijs. In dit nieuwe gebouwencomplex zouden winkels, restaurants, cafés, woningen en een stadshotel komen. In praktijk is het een soort merkendorp geworden, met een enkele andere winkel. Wel is de woonfunctie redelijk goed ingevuld, al staan veel woningen nog leeg. In de zomer van 2011 wordt Theater de Maaspoort uitgebouwd en op de Maasboulevard aangesloten. Ook heeft in 2012 de Floriade in de regio Venlo plaatsgevonden.
In 2004 is bij graafwerkzaamheden voor de nieuwe Maasboulevard een middeleeuwse kelder ontdekt, die aanvankelijk voor een joodse mikwe werd gehouden (zie hieronder bij Bezienswaardigheden).
In januari 2008 werd bekendgemaakt dat Venlo een universitaire studie krijgt. Het gaat om de eerste universitaire opleiding ter wereld die zich richt op de filosofie voor milieuneutrale economie, genaamd cradle to cradle (C2C). De eerste lessen werden gegeven in 2011.[ Ook vestigen andere universiteiten enkele opleidingen in Venlo. Verder wordt Venlo de Europese hoofdstad voor de uitgifte van C2C-certificaten. Deze toekenning is gedaan door het Cradle to Cradle Products Innovations Institute in San Francisco.
In 2010 is verder begonnen met de ontwikkeling van de Maaswaard, ten zuiden van de stadsbrug. Tegen het einde van 2011 is het deelplan "Crescendo" gereed gekomen, waarna de eerste bewoners hun intrek namen in dit woonzorgcomplex. Verder staat in dit gebied het Nedinscogebouw, dat tegen het einde van 2011 in de steigers is gegaan voor renovatie. Als deze renovatie, volgens planning aan het eind van 2012, klaar is, zal het een mediahuis herbergen. De media die het pand gaan betrekken zijn in ieder geval Omroep Venlo en L1; de Venlose vestiging van Dagblad De Limburger was eveneens in het pand gepland, maar de krant heeft te kennen gegeven hiervan af te zien. Daarnaast worden er stadswoningen gerealiseerd, en neemt een aantal afdelingen van de gemeente haar intrek in 2 verdiepingen. De rest van de ambtenaren zal worden gehuisvest in het eveneens in de Maaswaard geplande nieuwe stadskantoor.


Grubbenvorst (Noord-Limburgs: Grubbevors of Grevors) is een kerkdorp in het noorden van de Nederlandse provincie Limburg en hoort bij de gemeente Horst aan de Maas. Het is met 4.859 inwoners (november 2013) het op twee na grootste dorp van die gemeente, na Horst en Sevenum. Het vormde met het dorp Lottum vanaf begin 1800 tot 1 januari 2001 de gemeente Grubbenvorst.
Grubben, ook wel Gribben, was de naam van het kasteel waarvan nu de ruïne van het Gebroken Slot resteert. Grubben wijst meestal op een holle weg. Het tweede gedeelte van de naam "Vorst" was de naam van het dorp. Deze naam wijst op bos, in het bezit van de heer van het gebied. Aanvankelijk was hier veel bos, maar dat is grotendeels verdwenen door het ingrijpen van de mensen, die bossen gingen kappen uit behoefte aan weidegrond. Na het kappen ontstond heidevelden.
Op de hoge Maasoever komen ook sporen voor van vroeg-Germaanse bewoning. Deze hoge Maasoever draagt de naam "Reuvelt", een benaming, die vermoedelijk uit de Karolingische tijd stamt. Aannemelijk is dat in de loop van de 8e eeuw het christendom ook in Noord-Limburg doordringt. Bij opgravingen na de verwoesting in november 1944 van de parochiekerk bleek, dat deze omstreeks 1415 gebouwde kerk zeker zes voorgangers moet hebben gehad. Bij de wederopbouw in 1952 heeft men de herinnering aan deze vroegere kerken willen bewaren in de tegenwoordige crypte. De huidige kerk, de O.L. Vrouw Tenhemelopnemingskerk, werd ontworpen door Alphons Boosten. De heer van Grubben was eerst beleend met de gehele heerlijkheid Vorst. Vermoedelijk uit geldgebrek deed hij in de 14e eeuw de halve heerlijkheid over aan zijn buurman, de heer van Baersdonck. In 1755 kocht de toenmalige heer van Grubben, de markies van Hoensbroeck, de ridderhofstede Baersdonck met de andere helft van Vorst, zodat de heerlijkheid weer in één hand was.
Bij het land van Gelder
Gribben met (half) Vorst was een zeer oude vrije heerlijkheid waartoe aanvankelijk ook Arcen, Lomm, Velden en het dorp Venlo behoorden. In 1311 koopt Reinoud van Gelder de heerlijkheid van de heer van Millen. Het gebied van Grubbenvorst is daarna Gelders gebleven tot de Franse tijd, al was sinds 1543 de Duitse keizer, van 1555 tot 1713 de koning van Spanje en daarna tot 1794 de koning van Pruisen hertog van Gelder. Bij het beleg om Venlo in 1511 wordt het slot Gribben voor de eerste keer verwoest.
De tachtigjarige oorlog
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog zijn de Noord-Limburgse Maasdorpen meestal Spaans gebleven. Wel is tussen 1572 en 1646 regelmatig en soms hevig in deze streken gevochten. Voor het herstelde slot Gribben kwam in 1586 de genadeslag, toen Spaanse troepen onder Parma het kasteel bestormenden en tot een "gebroken slot" verwoesten. Grubbenvorst was sinds de veldtocht van Frederik Hendrik

 

Tour Galerie

Tour Karte und Höhenprofil

Kommentare abgeben

Möchtest du einen Kommentar abgeben?